1) Hervormingen in het secundair onderwijs


Uit vele internationale rapporten blijkt dat Vlaanderen een sterk secundair onderwijs heeft. Toch zijn er naast een aantal sterke punten, een aantal werkpunten naar voren komen. De hervorming van het secundair onderwijs zou tegemoet moeten komen aan deze zwakke punten. Voor dit hoofdstuk baseren we ons op de eerste oriëntatienota hervorming secundair onderwijs van de Vlaamse minister van onderwijs, Pascal Smet.

1.1 Zwakke punten in het secundair onderwijs

De overgang van het basisonderwijs naar het lageronderwijs loopt niet bij alle leerlingen zonder problemen. Leerlingen ervaren deze overgang als een aanzienlijke breuk. De andere leerinhouden, structuren, werkinhouden, etc. vragen een groot aanpassingsvermogen van de leerlingen.

Daarnaast wijzen de PISA-onderzoeken aan dat het verschil tussen de sterkst en zwakst presterende leerlingen nergens zo groot is als in Vlaanderen. Het onderwijs slaagt er niet in om het effect van de invloed van het sociaal milieu weg te werken. Het milieu van de leerling blijkt in grote mate bepalend te zijn voor de onderwijsvorm waarin de leerling terecht komt of voor de mate van schoolse vertraging (Smet, 2010). Zo blijkt dat aan het einde van het middelbaar onderwijs een leerling 95% kans heeft om in het ASO te zitten wanneer de moeder een universitair diploma heeft en 80 % kans om in het BSO te zitten wanneer de moeder enkel een diploma lager onderwijs heeft. Een kind van een ongeschoolde arbeider heeft 19 keer meer kans op BSO in vergelijking met een kind van een kaderlid. Er is met andere woorden een sterke sociale bepaaldheid. De ongelijkheid op school is verbonden met de sociale afkomst (Hirtt, Nicaise, & De Zutter, 2007).


Een derde zwakte in het secundair onderwijs heeft betrekking op het zogenaamde watervalsysteem. Jongeren proberen eerst de zwaardere richtingen, zoals Latijn, en zakken vervolgens af naar een andere studierichting. Onderliggend aan deze waterval schuilt een onterecht verschil in maatschappelijke appreciatie voor de verschillende onderwijsvormen. Deze maatschappelijke appreciatie en het sociale milieu bepalen in grote mate de studiekeuze van de jongeren, eerder dan dat ze zich richten op hun talenten. Een goede keuzebegeleiding en keuzebekwaamheid zijn belangrijk met het oog op succes in de schoolloopbaan en de zelfontwikkeling. De huidige structuur is er een van geleidelijke specialisatie. De praktijk leert ons echter dat de eerste graad vaak al bepalend is voor de verdere schoolloopbaan. Wat je dan kiest, bepaalt je latere mogelijkheden. De tweede en derde graad bestaat dan weer uit een veelheid van keuzes, waar het verschil in richtingen vaak niet altijd heel duidelijk is. Een transparanter studieaanbod zou de ontwikkeling van de keuzebekwaamheid bevorderen.


Uit onderzoeken van Esbroeck en Lacante blijkt dat leerlingen zich over het algemeen goed voelen op school. Maar dit welbevinden blijkt echter samenhang te vertonen met de leeftijd. Het welbevinden daalt met het ouder worden. De vele zittenblijvers, spijbelaars, leerlingen met schoolmoeheid, etc. zijn voorbeelden van dit laag welbevinden.


Een recente studie van van het Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen toont aan dat ongeveer 15% van de jongeren het secundair onderwijs verlaat zonder diploma. Via de hervorming hoopt men dit aantal aanzienlijk te verkleinen.


Een laatste zwakte vinden we bij het opleiden van de leerlingen tot kritische en verantwoorde burgers. Om dit te verwezenlijken is een brede vorming noodzakelijk, waarbij jongeren worden opgeleid tot kritische en verantwoordelijke burgers (Smet, 2010).

1.2 De hervorming

Via de hervorming wil men meer aandacht besteden aan competenties, zorgen voor een vlotte overgang van basisonderwijs naar secundair onderwijs en meer aandacht besteden aan de schoolloopbaanbegeleiding. De bestaande structuur van drie graden blijft behouden. Daarnaast stapt men wel af van de indeling van onderwijsvormen (ASO, TSO, BSO). Op deze manier wordt de snelheid voor het maken van een definitieve studiekeuze uitgesteld. Er wordt meer de nadruk gelegd op de ontwikkeling van keuzebekwaamheid door het inbouwen van keuzemomenten. Hiervoor werkt men met belangstellingsgebieden waar leerlingen hun talenten beter kunnen ontdekken. We onderscheiden zes belangstellingsgebeiden: Techniek en wetenschappen, Natuur en wetenschappen, Welzijn en sociale wetenschappen, Handel en economische wetenschappen, creatie en kunst en taal en letterkunde.
Wanner we de structuur van het secundair onderwijs bekijken, merken we dat na de hervorming elke graad een eigen functie heeft.
Een breed algemeen vormende eerste graad
In de eerste graad moeten leerlingen nog geen fundamentele keuze maken. Wel worden ze uitgedaagd om kennis te maken met de verschillende belangstellingsgebieden in het eerste jaar. Op basis van deze kennismaking maken ze in het tweede jaar een eerste keuze van twee belangstellingsgebieden. Deze keuze is omkeerbaar. In de eerste graad ligt de nadruk op een brede persoonlijke ontwikkeling van de leerlingen.

Een verbrede tweede graad
In de tweede graad moeten leerlingen wel een belangrijke keuze maken die aansluit bij hun interesses en talenten. Uit de belangstellingsgebieden moeten de leerlingen één domeinbrede studierichting kiezen. In deze domeinbrede studierichting leren de leerlingen enkele competenties die nodig zijn om mee te draaien in de samenleving (sleutelcompetenties) en competenties die toepasbaar zijn in meerdere beroepen binnen dat domein. Doordat de studiekeuze in deze graad breed blijft, is er nog steeds de mogelijkheid om te veranderen van keuze. Er wordt voorzien in een remediëren voor deze leerlingen die nog van domein willen veranderen. Gemiste basiscompetenties worden bijgewerkt, zodat ze zonder problemen kunnen volgen in een ander domein.

Een duidelijk kwalificerende derde graad
In de derde graad hebben leerlingen de verantwoordelijkheid om een keuze te maken en deze ook vol te houden. De derde graad is een specialisatiegraad en leidt uiteindelijk tot kwalificaties die leerlingen voorbereiden op de arbeidsmarkt of latere studies (Smet, 2010).

Via deze structuur van het secundair onderwijs wordt een definitieve keuze voor een studierichting uitgesteld tot de leeftijd van zestien jaar. Dit sluit aan bij wat we het ‘comprehensief’ onderwijs noemen. De structuur van het secundair onderwijs na de hervorming wordt weergegeven in figuur 1.

1.3 Schoolloopbaanbegeleiding
De hervorming wil meer aandacht besteden aan schoolloopbaanbegeleiding. Jongeren moeten hun eigen keuzeproces in handen nemen door permanent te werken aan horizonverruiming (voldoende kennis over mogelijke kwalificaties en beroepen), zelfconceptverheldering (brede kijk op zichzelf en de wereld) en gebruik van keuzestrategieën (keuzevaardigheden).

Hoe beter leerlingen in staat zijn zelf keuzes te maken, hoe groter de tevredenheid over de gemaakte keuzes en hoe minder problematisch de schoolloopbaan. Een goed keuzeproces veronderstelt dat scholen middelen en instrumenten aanbieden waarmee de leerlingen hun talenten en interesses kunnen ontdekken. De ontwikkeling van keuzebekwaamheid en het ontdekken van talenten en interesses krijgt een centrale plaats binnen de nieuwe structuur van het secundair onderwijs door een meer gefaseerde studiekeuze in te bouwen (Smet, 2010).





hervorming_onderwijs1.jpg