Luik 3: Oude wijn in nieuwe zakken?
De nieuwe hervormingen van het secundair onderwijs vallen onder de noemer van het comprehensief onderwijs. In de jaren ’70 startte men met een experiment; het vernieuwd secundair onderwijs (VSO). Ook dit experiment was gebaseerd op comprehensief onderwijs. Toch stapte men daar later weer van af. In deze paragraaf vragen we ons af of er gelijkenissen en valkuilen zijn waarmee we rekening moeten houden. We beperken ons hier wel tot het vernieuwd secundair onderwijs in de katholieke onderwijs.
1) VSO
a. Aanleiding tot vernieuwing
Brants (1987) beschrijft in zijn thesis de motieven tot vernieuwing van het secundair onderwijs naar een meer comprehensieve vorm. Hij spreekt over het maatschappelijk, sociaal-sociologisch, psychopedagogisch, antropologisch, comparatief en politiek motief. We gaan nu even kort in op deze motieven.
Het traditionele secundair onderwijs werd als onaangepast, inefficiënt en passief ervaren. De snel veranderende wereld en het toenemend specialisme maken een gemeenschappelijke taal noodzakelijk. Er is dus vraag naar een verlengde, gemeenschappelijke en integrale basisvorming voor allen. Dit met het oog op langere en permanente vorming. Dit noemt Brants (1987) het maatschappelijk motief.
De onderwijsdeelname kende een felle toename. Hierdoor werd het secundair onderwijs een onderwijs voor allen met een heterogener publiek dan voorheen. Dit vraagt om aangepast onderwijs met een balans tussen gemeenschappelijkheid en differentiatie. De school moet de sociale achterstanden proberen te compenseren. Dit is slechts mogelijk wanneer de studiekeuze wordt uitgesteld. Dit wordt het sociaal-sociologisch motief genoemd.
Een psychopedagogisch motief is de bevinding dat bepaalde aanlegcomponenten en de hele belangstellingsstructuur bij 12-jarigen nog erg onstabiel is. In het categoriaal onderwijs leidt dit tot gebrekkige heroriënteringskansen, vroegtijdige studiekeuze en het watervalsysteem. Om dit te vermijden is er dus nood aan een meer psychologisch verantwoorde structuur, zoals drie cycli van twee jaar, een gemeenschappelijke start en geleidelijke differentiatie met heroriënteringsmogelijkheden door middel van een optioneel systeem.
Een antropologisch motief is dat de persoonlijkheid van het kind meer en meer centraal komt te staan. Hieruit vloeien persoonlijkheidsvormingen, zelfrealisatie en individualisering voort.
Er is ook een comparatief motief dat aanleiding geeft tot vernieuwing. Onze buurlanden stapten allen stelselmatig over op het comprehensief onderwijs. Een logisch gevolg is dus dat België volgt.
Een laatste motief is het politieke motief. De ministers waren socialisten. Daarom werd vooral gehandeld vanuit maatschappelijke en sociaal-sociologische motieven. Dit bleek uit de latere massale invoering van het VSO in het rijksonderwijs. Ook het katholieke onderwijs voerde massaal het VSO in. Dit omdat de onderwijsvernieuwing gezien werd als een evangelische opdracht vanuit een christelijk perspectief.
Al deze motieven gaven dus aanleiding tot het vernieuwen van het categoriale onderwijs, naar een meer comprehensieve vorm, zoals het experiment VSO.
b. Structuur
Dit deel is volledig gebaseerd op Feys (n.d.) en Bonte (1981).
Het VSO bestaat uit drie graden die elk uit twee jaar bestaan. De eerste twee jaren vormen de observatiegraad. Het derde en vierde jaar vormen de oriëntatiegraad. Het vijfde en zesde jaar tenslotte, vormen de determinatiegraad. Geleidelijk wordt opgesplitst in afdelingen en studierichtingen, waarbij zo goed mogelijk wordt ingespeeld op de aanleg en belangstelling van de leerlingen.
Algemeen gesproken zijn er twee soorten vakken: de gemeenschappelijke stam en het optioneel gedeelte. De gemeenschappelijke stam omvat die vakken die alle leerlingen van een bepaald jaar gemeenschappelijk hebben, ongeacht hun studierichting. Het optionele gedeelte bestaat dan weer uit vakken die niet door alle leerlingen van een bepaald jaar gedeeld worden, maar worden zelf gekozen door de leerlingen. Binnen het optionele gedeelte zijn er twee soorten opties: het vakkenpakket dat de studierichting bepaalt (fundamentele optie) en keuzevakken die we complementaire opties noemen. Besluitend kunnen we zeggen dat een studierichting bestaat uit een gemeenschappelijke stam, een fundamentele optie en complementaire opties.
Observatiegraad (eerste graad):
Alle 12-jarigen die met vrucht het basisonderwijs hebben afgerond kunnen overgaan naar een school voor secundair onderwijs en er een gemeenschappelijke vorming krijgen, ongeacht hun aanleg en belangstelling, mogelijkheden en beperkingen , sociale herkomst en geslacht. De observatiegraad is dus voor iedereen gemeenschappelijk. Het doel van de observatie is het uitstellen van de studiekeuze en het opsporen van de juiste geschiktheid, bekwaamheid en intelligentie van de leerlingen. Deze graad vormt de basis voor elke latere studierichting. De klemtoon ligt op het leren leren en op de observatiefunctie. Op het niveau van de eerste observatie bestaat een aanpassingsklas. Bij de tweede observatie bestaat er een beroepsvoorbereidend jaar. Hierin zitten leerlingen die leervertraagd zijn en/of concreet denkend.
Oriëntatiegraad (tweede graad):
Ook deze graad wordt gekenmerkt door een grote gemeenschappelijkheid. Hiernaast kunnen leerlingen zich langzaam richten naar een bepaalde studierichting. Dit gebeurt door keuzevakken en opties. In deze graad wordt ook het onderscheid gemaakt tussen doorstroming en kwalificatie. De doorstromingsrichting leidt tot hogere studies. De kwalificatie bereidt leerlingen voor op het beroepsleven, maar geeft ook toegang tot het hoger onderwijs. Binnen de kwalificatie wordt er een onderscheid gemaakt tussen het korte (vier jaar) en het lange (zes jaar) type. De eerste is meer gespecialiseerd dan de laatste. Algemeen kunnen we zeggen dat algemeen vormende richtingen enkel in de doorstroming voorkomen en beroepsrichtingen enkel in de kwalificatie. Technische en kunstrichtingen kunnen in beide georganiseerd worden. Na het tweede jaar van de oriëntatie kunnen leerlingen van de kwalificatie een vervolgmakings- en/of specialisatiejaar volgen. Ook kunnen leerlingen die van richting wensen te veranderen, uitgezonderd die van de beroepsafdeling, een heroriënteringsjaar volgen.
Determinatiegraad (derde graad):
Hier legt de leerling zijn studiekeuze vast. Vanaf nu primeren de keuzevakken en opties op de gemeenschappelijke lesuren. Na het tweede jaar van de determinatie kunnen leerlingen van de kwalificatie een vervolgmakings- en/of specialisatiejaar volgen. Ook kunnen leerlingen, uitgezonderd die van de beroepsafdeling, een voorbereidend jaar hoger onderwijs volgen.
afbeelding_VSO.jpg
c. Pro’s en contra’s
Het uitstel van de studiekeuze is niet voor alle leerlingen even groot. Als ze hun studies op 16-jarige leeftijd beëindigen dan maken ze sneller een definitieve keuze, dan de leerlingen die veel later aan hun beroepsleven beginnen. De tweede graad is voor deze eerste leerlingen dus meer een determinatiegraad dan een oriëntatiegraad. (FEYS)
2) Vergelijking VSO-hervormingen anno 2010

a. Aanleiding


b. Structuur


c. Voorspellingen

Referenties


Bonte, E. (1981). Tien jaar VSO. Leuven: Kritak.

Brants, G. (1987). Hoofdstuk 4: Ontstaan van het katholiek vernieuwd secundair onderwijs. In Van categoriaal naar comprehensief: Een onderwijskundige studie van de wording van het katholiek V.S.O. (1945-1973) Met bijzondere aandacht voor de beleidsmomenten (pp.78-115). Ongepubliceerde masterthesis, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit der psychologie en pedagogische wetenschappen, Seminarie voor comparatieve pedagogiek.

Feys, G. (n.d.). Het vernieuwd secundair onderwijs: Structuur. In J., Van Damme (2009-2010). Didactiek van het secundair onderwijs. [cursus]

[Comprehensief onderwijs en VSO, Werkgroep informatie verniewing onderwijs, 1985, Standaert roger (pbib: uitgeleend)]